|
|
Ongeveer een jaar geleden schreef ik een post over de tendens in de theoretische natuurkunde om over onbewezen formalismen en ideeën te spreken alsof ze realiteit zouden zijn, waardoor ze een eigen leven gaan leiden. Voorbeelden hiervan zijn de multiversum-hypothese, de snaartheorie, supersymmetrie enzovoort. Hier wil ik ingaan op een discussie die ik af en toe met collega-wetenschappers voer - kan een moderne wetenschapper in God geloven? Dit probleem kan op verschillende manieren worden benaderd, waarvan ik de volgende mogelijkheden zal bespreken: of er een conflict bestaat tussen het beoefenen van wetenschap en het geloven in God, en of we moeten kiezen tussen wetenschap en religie.
Is het voor een wetenschapper een conflict om gelovig te zijn?
Een christen zou bijvoorbeeld kunnen uitleggen dat dit een harmonieuze combinatie is. In Genesis is te lezen dat we zijn aangesteld om de schepping te bewerken, te beschermen en te beheren, en om in harmonie te leven met al wat leeft. We kunnen de wetenschap benaderen zoals Newton, Leibniz en vele andere wetenschappelijke voorgangers dat deden - vanuit het geloof dat God de natuurwetten heeft vastgelegd, en dat wij deze kunnen ontdekken om de mensheid vooruit te helpen in de rol die ons toebedeeld is. Vanuit dit perspectief kan het beoefenen van de wetenschap, als je daartoe de capaciteit is gegeven, een waardige manier zijn om God te dienen.
Daarnaast hebben ook wetenschappers een kompas nodig om hun koers te bepalen, of een toevluchtsoord om hoop of troost te vinden. We zoeken allemaal naar antwoorden op de belangrijke vragen in het leven. Waarom zijn we hier, wat is het doel van ons bestaan? Hoe moeten we redeneren? Wat kunnen we weten, en hoe kunnen we leren? Waarom nemen we het universum waar zoals we dat doen? Hoe moeten we handelen? Wat is kunst? Dit is in een notendop waar filosofie over gaat.
De natuurwetenschappen bieden hulp bij de vierde vraag hierboven, maar pretenderen niet alle vragen bevredigend te beantwoorden. De natuurwetenschappen zijn een instrument om de wetmatigheden die we in het universum waarnemen te modelleren, maar zijn niet bedoeld om metafysische grenzen te verkennen. Om de natuurkundige en publieke figuur Brian Cox te parafraseren: we kunnen niet met zekerheid zeggen dat er geen God is, en er zijn vragen die de wetenschap niet kan beantwoorden. Sommigen zijn het niet eens met deze visie; een zogenaamde nieuwe atheïst zou bijvoorbeeld kunnen suggereren dat de wetenschap uiteindelijk zelfs ethiek zou kunnen ontwikkelen, maar dit is een omstreden en bekritiseerde voorspelling. Sommigen gaan zelfs zover te beweren dat nieuw-atheïsme slechts een reactie is op het afnemende secularisme. De tijd zal het leren.
Moeten we kiezen tussen wetenschap en religie?
Of, zoals de Oxfordse wiskundige John Lennox het formuleerde: moet je kiezen tussen een technische studie of het leven van Henry Ford om de ontwikkeling van het motorvoertuig te begrijpen? Ook dit is een vraag die op verschillende manieren benaderd kan worden.
Een belangrijk aandachtspunt in deze discussie is het begin van de tijd. Een geestelijke bracht, nog vóór de natuurkundigen, het idee naar voren dat het universum een begin moet hebben gehad. Het idee van een uitdijend universum dat voortkomt uit een begintoestand - Fiat Lux - wat later de Big Bang-theorie zou worden, is afkomstig van de priester-wetenschapper Georges Lemaître, een tijdgenoot van Hubble en Einstein. Waar Newton dacht dat zijn zwaartekrachtwet duidt op het bestaan van God, stellen verschillende moderne natuurkundigen dat Einsteins zwaartekrachtwet het tegenovergestelde suggereert, aangezien deze de onderstelling toelaat dat het universum zichzelf uit het niets heeft geschapen. Om een voor de hand liggende tegenstrijdigheid te vermijden, moet dit niets echter worden gedefinieerd als een soort protofysische toestand. Je kunt je voorstellen dat deze redenering door veel wetenschappers wordt betwist. Niet alleen schuift het de vraag over het begin van het universum voor zich uit, het idee is ook niet te toetsen en daarom onwetenschappelijk.
Aan de andere kant zien wetenschappers die het bestaan van God verdedigen bepaalde aspecten in de wetenschap die zouden wijzen op het bestaan van God. Een belangrijk argument hierbij is de zogenaamde fijnafstemming van natuurconstanten – verschillende natuurconstanten moeten precies de waarde hebben die ze hebben, willen wij hier überhaupt zijn om over het universum na te denken. Aangezien de natuurkunde (nog) niet kan verklaren waarom deze constanten precies deze waarden hebben, zien sommigen hierin een meesterplan voor het universum. Een alternatieve metafysische verklaring voor deze gelukkige fijnafstemming is de multiversum-hypothese - als er een oneindig aantal universa zou bestaan, zouden de natuurconstanten in ten minste één universum precies de waarden hebben die ons bestaan mogelijk maken, wat een fantastisch toeval zou zijn. Het behoeft geen betoog dat ook de multiversum-hypothese een niet-falsificeerbaar idee is en daarom buiten de wetenschap valt.
Conclusie
De literatuur staat vol met argumenten over het bestaan van God, zowel voor als tegen. Vaak is de discussie elegant, academisch en respectvol, maar soms zijn de argumenten naïef, onjuist of zelfs abrasief. De wetenschap biedt geen toetsbaar idee om een keuze te maken tussen voor- of tegenstanders, en het is onmogelijk te zeggen of dat ooit wel het geval zal zijn. Dit lijkt de vraag of een almachtige God de logica zou kunnen overstijgen irrelevant te maken, waardoor de wetenschap van meet af aan een ongeschikt instrument zou zijn in deze discussie. Alle niet-triviale of niet-dogmatische argumenten hebben echter gemeen dat ze geen uitsluitsel geven, en blijven daarom open voor debat. We zullen daarom nooit het einde ervan zien. Het bestaan van God blijft een mysterie, zoals het altijd is geweest, en het geloof in God of in sciëntisme blijft een sprong in het diepe.
Hoewel de discussie zal voortduren, wil ik deze post graag afsluiten. Ik wilde ingaan op de vraag of een wetenschapper een gelovig mens kan zijn. Je zult mijn standpunt tussen de regels door hebben opgemerkt. Voor mij is het een harmonieuze en bevredigende combinatie die hoop en betekenis geeft aan een anderszins doelloze wereld. Hoewel sommigen mogen geloven dat de hemel leeg is, vind ik het moeilijk om een dergelijke visie te aanvaarden. Welk standpunt je ook inneemt, dat is natuurlijk aan jou - denk er vooral zelf over na.