|
|
Deze stukjes zijn op schrift gesteld om mijzelf moreel te ondersteunen bij pogingen om eindelijk eens met roken op te houden. Het eerste stukje is geschreven aan de vooravond van één zo'n poging, bedoeld als de meest serieuze in jaren. Het einde is open, men kan immers niet beweren definitief niet-roker te zijn. Deze eigenschap delen wij met hen die nog nooit gerookt hebben.
Ik weet niet of het me allemaal veel geholpen heeft. Zoals wel vaker in het leven vraagt men zich af of het allemaal gegaan is zoals het had kunnen gaan, maar soms - zoals nu - moet men deze psychische last van zich werpen, en niet alleen omdat men het alternatief niet kent. Eén opmerking is echter op zijn plaats. Ophouden met roken behoorde nimmer tot de bezigheden waarmee ik bij voorkeur tijd verdeed, dit in tegenstelling tot het opschrijven van dit soort stukjes.
Zondag 14 maart 1993
Ik heb dan toch de knoop doorgehakt. Eindelijk zal ik de belofte welke ik menigmaal gedaan heb gestand doen. Ik stel een daad van opperste zelfversterving. De sigaren zijn op en ik heb me geen nieuwe doos aangeschaft. Ik stop met roken. Definitief.
Als onverbeterlijke recidivist weet ik maar al te goed wat mij de komende tijd te wachten staat. Ik ga voorlopig als een acefaal door het leven, want het hoofd kan niet ordentelijk denken. Ondertussen zal ik het gevoel hebben dat ik mijn beste vriend de deur gewezen heb. Eén en ander heeft er steeds toe geleid dat ik na enkele weken vond dat ik het wel weer bewezen had. Bah.
Slechts éénmaal is het mij gelukt om het lang vol te houden. Dankzij een zelden vertoonde wilskracht lukte het mij toen om afstand te nemen van de sigaret. Het duurde vijf jaar eer ik zwichtte voor de verlokkingen van de zuiverste vorm van het rookgenot - de sigaar, waarvan ik nooit scheiden kon. Tot vandaag, wel te verstaan.
Zojuist genoot ik op bijna rituele wijze van mijn laatste rokertje. Alea iacta est. Ik heb niemand met mijn voornemen op de hoogte gesteld. Dat werkt in mijn geval niet en leidt daarom slechts tot verlies van het gezicht. Mijn wapens zijn een bondgenote, een overmoedig geloof in het eigen kunnen, en veel kauwgom.
Maandag 15 maart 1993
Vandaag is het de eerste dag van mijn rookvrije leven. Het hoofd begrijpt niets en mijn humeur is om te schieten. Hoe moet ik nu sterk zijn? In deze maatschappij waarin de roker langzaam maar zeker gestigmatiseerd raakt, is wél roken eerder een daad van karakter. Aan de andere kant is het toch te dol om het al binnen een etmaal op te geven.
Om de moed er in te houden overdenk ik de redenen van de vorige pogingen om mijn verslaving te bezweren. Er waren goede redenen, zoals bezorgdheid om de gezondheid, en er waren onduidelijke - cherchez la femme. Helaas, geen van deze motivaties heeft mij tot nog toe definitief van het roken af kunnen houden.
Dit brengt ons op het interessante vraagstuk waarom de roker steeds opnieuw met roken ophoudt. Wij gaan daartoe te rade bij dé filosoof van de zich van zijn zwakheden bevrijdende mens, Nietzsche. De oplossing van ons probleem ligt besloten in diens stelling Waß uns nicht zerstört macht uns stärker. Een ad hoc interpretatie leert dat het waß in ons een Stärke induceert, die het waß annihileert.
Deze interpretatie impliceert een causaal verband tussen het roken en het ophouden met roken. Krachtens dit verband is de reden die de tot inkeer gekomen roker aanvoert volkomen arbitrair. Een roker kán niet anders dan ophouden met roken, en hij zal uiteindelijk slagen als hem de tijd van leven maar gegeven is. Een variant vinden wij reeds bij Seneca terug - Quem saepe transit casus aliquando invenit.
Het tragische element van noodzakelijkheid duidt op consistentie met de idee van de ewige Wiederkehr des Gleichen en is niet vreemd aan de deterministische levensbeschouwing die men in de vorige eeuw aanhing. Het argument houdt evenwel ook in de moderne tijd stand, daar de quantummechanicus in de klassieke limiet rookt.
Had ik maar een sigaar.
Donderdag 18 maart 1993
Ik heb me nu een paar dagen van tabaksconsumptie weten te onthouden. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat er zich al weer een gelegenheid heeft voorgedaan waarin ik een aangeboden sigaar niet geweigerd zou hebben, maar de voorzienigheid was mild gestemd. Ik had mij natuurlijk niet bezwaard hoeven te voelen omdat het embargo pas morgen van kracht wordt, maar wij hoeven elkaar niets wijs te maken.
Ter motivatie is er vanavond een element van competitie in onze alliantie gebracht. Er is duidelijk te kennen gegeven dat de één niet voor de ander onder zal mogen doen, dit op straffe van spot en hoon. Ik moet toegeven dat een dergelijke sanctie meer effect sorteren kan dan vele goede voornemens van saamhorigheid. Tien jaar geleden zou het wel geholpen hebben, maar nu?
Duidelijk is dat voor de aankomende ex-roker een te groot realisme fnuikend is voor het doorzettingsvermogen. Daarom is een krachtige stellingname vereist. Niets is zo onverzettelijk als iemand die het gewoonweg verdomt. In deze moet ik zijn, zoals ik ooit kon zijn.
Natuurlijk verlies ik niet.
Zaterdag 20 maart 1993
Ik heb de laatste maanden te veel gerookt. De begripsvolle lezer zal opmerken dat zoiets er ongemerkt insluipt en dat te veel een relatief begrip is. Maar ik bedoel natuurlijk dat ik echt te veel gerookt heb. De reden waarom deze mening bij mij post gevat heeft moet ik eigenlijk niet hardop noemen, maar ik zal het toch doen opdat anderen hieruit lering kunnen trekken.
Ik vertoon ontwenningsverschijnselen. Ik ben van slag. Het is vrij normaal om in de eerste rookvrije dagen onuitstaanbaar dan wel onaanspreekbaar te zijn, en om de dekens demonstratief ver over het hoofd te trekken. Voor een matige roker lijkt het me minder normaal om gehinderd te worden door slaapstoornissen, een te energiek gedrag te vertonen en - in de hogere zin des woords - lichtelijk gedesoriënteerd te zijn. Tot nu toe is één en ander dus behoorlijk vermoeiend. In de spaarzame momenten van slaap trekken lange en onstuimige dromen aan mijn geestesoog voorbij - tekenen van grote beroering.
Daarnaast is mijn gedrag meer geconditioneerd dan ik had durven geloven. Niet voor het eerst liep ik laatst onnadenkend naar de tabaksleverancier, me maar net op tijd realiserend dat deze kleine middenstander wat mij betreft brodeloos is geworden. En steeds vraag ik me af wanneer ik mijn pen zal proberen op te steken.
Het is bekend dat ex-rokers tot de fanatiekere anti-rokers gaan behoren. Met vreze aanschouw ik mijn voorland.
Maandag 22 maart 1993
Ik ben nu een week rookvrij. Ik mis mijn sigaartje, maar dat is niet abnormaal. Over twee weken echter moeten wij een echte crisis verwachten. Experimenteel onderzoek heeft uitgewezen dat de meeste pogingen na drie tot vijf weken opgegeven worden.
Als men met meerdere personen ophoudt, dan moet men dat niet gelijktijdig doen. Een tussenperiode van een week is aan te bevelen. Ik heb met tranen in mijn ogen moeten aanzien hoe twee dapperen gelijktijdig ophielden met roken, gelijktijdig in een crisis belandden en dientengevolge gelijktijdig in hun oude gedrag vervielen.
Als recidivist heb ik ruime ervaring opgedaan in het opgeven van pogingen met roken te stoppen. Naast de persoonlijk te verwerken teleurstelling - waaraan men overigens niet te zwaar moet tillen - is er veeleer het probleem hoe men het falen aan de medemens vertelt. We leven in een prestatiemaatschappij en daarin is voor de mislukking geen plaats, is het imperfecte taboe.
Andere rokers reageren doorgaans met gemengde gevoelens op het falen van een mede-roker. Zij betuigen hun spijt, omdat ze een capitulatie zien in een strijd die ze vaak zelf graag zouden aangaan. Aan de andere kant sust iedere mislukte poging het knagende rokersgeweten - eens te meer is de zwaarte van de queeste aangetoond, en dat verdooft het schuldgevoel.
De reactie van niet-rokers, de ex-rokers voorop, is meestal minder genuanceerd. Hier dient de falende kandidaat-ex-roker er rekening mee te houden woorden van geringschattend gehalte toegevoegd te krijgen. Ik zal mijn minder ervaren mede-kandidaat een hint ter verdediging aan de hand doen. Het grootste onbegrip wordt tentoongespreid door fanatieke sporters, die men onverwijld een adrenalineverslaving moet verwijten. Dit leidt tot een discussie waarin men elkaar wat op de mouw speldt, maar waarin de roker in ieder geval het hoofd opgeheven houden kan.
Opgeven is een intense vorm van persoonlijk drama. Er moet geen uitleg verlangd worden, integendeel, het is gepast sympathie te betuigen. Opgeven leidt tot frustratie, en volgens zielkundigen heeft een succes-frustratie ratio welke lager ligt dan éénderde vervelende gevolgen voor het psychisch welbevinden. Zouden wij, de recidivisten, dan toch onze toevlucht bij amor fati Nietzsche moeten zoeken?
Woensdag 24 maart 1993
Mijn humeur heeft nog steeds te lijden onder de repercussies van het ophouden met roken. Nooit tevoren heeft dat langer dan een paar dagen geduurd. Maar toch is er een kentering merkbaar. Langzaam wordt het hoofd weer helder, vindt het weer een woordje in het cryptogram, en merkt het op dat het huis minder muf ruikt. We zitten zelfs weer op de fiets om in de bossen naar de havik te zoeken. Mijn conditie is minder slecht dan je op grond van mijn bureauverleden mag verwachten, waarmee maar weer eens aangetoond wil zijn dat het goed is het lot in eigen hand te nemen.
Vandaag kwam ik in eenzelfde situatie te verkeren als een week geleden. Ik vrees dat ik op die bewuste avond een aangeboden sigaar niet geweigerd zou hebben, maar vanavond was ik sterk. Ik was bereid het lot in de ogen te schouwen. Ik zou een aanbod tactisch doch gedecideerd van de hand gewezen hebben. Dit is een gunstig teken, ik kan me een dergelijke compromisloze houding tijdens eerdere - mislukte - pogingen tenminste niet herinneren. Eénmaal eerder heb ik een dergelijke, onvoorwaardelijk afwijzende houding ten aanzien van de tabak ingenomen. Dat was tijdens de poging die een rookvrije periode van vijf jaar inluidde.
Nu weet ik het zeker. Ik ga het redden.
Donderdag 25 maart 1993
Hoe heeft het zover kunnen komen?
Ik ben eigenlijk al op mijn vijftiende met roken begonnen. Ik weet nog goed dat ik in de voormalige Stokvishal te Arnhem op een feest van de middelbare school mijn eerste peuk opstak. Het was de tijd waarin wel meer dingen geprobeerd werden, en zij die het weten konden voorspelden dat ik snel verstandiger zou worden. Erg spoedig werd ik dat echter niet. Zo heb ik me altijd afgevraagd of ik mijn eindexamen zonder nicotine zou hebben gehaald.
Pas op mijn negentiende schaarde ik me weer bij het verstandige deel van de bevolking. Met een pakje halfzware van Nelle kon ik toen twee tot drie dagen toe, dat viel eigenlijk nog wel mee. Na vijf jaren, die ik met slechts één incident doorgekomen was, viel ik voor de sigaar. Hoewel ik me nooit veel gelegen heb laten liggen aan de mening van anderen, zal ik thans enige uitleg geven.
Op de laatste zondag van januari 1983 deed ik de sigaret in de ban. We waren net op bezoek geweest bij een oud-lerares Nederlands, die we de avond daarvoor op een renie van de middelbare school waren tegengekomen. Waarom ik juist toen opgehouden ben met roken heb ik nimmer begrepen. Het tijdstip was ook vreemd gekozen, ik was eerstejaars student en de tentamens van het tweede trimester naderden. Maar ik heb vaker beweerd dat het lot op de hand is van degene die het tart.
Vijf jaar later verdiende ik mijn brood als wetenschappelijk medewerker. Ik was vergeten een ex-roker te zijn, maar ik herinnerde de zachte smaak van de sigaren die ik indertijd eens voor een schoolfeest kocht - Amarillo van Agio. Zo is het gekomen dat ik op koninginnedag 1988 ten huize van een goede vriend weer een sigaar opstak. Op de televisie was Soldaat van Oranje te zien. Wederom is me het verband tussen de gebeurtenissen nooit duidelijk geworden.
Er brak een periode aan waarin we op het werk een informele rookclub hadden. Tussen de middag werd er na de lunch, in luie stoelen gezeten, een La Paz Cherie gerookt en een geanimeerd gesprek gevoerd. Indertijd mocht er in de overheidsgebouwen nog naar hartelust opgestoken worden. Thans zoekt men er vergeefs naar een asbak. Het sociale verkeer verdraagt daar schuim noch as meer.
's Zomers werd er 's avonds zo nu en dan op het terras gezeten. Het was de tijd waarin onder meer het buitenlandse bier snel aan populariteit won - in tegenstelling tot het Belgische bier is het Britse bier hier nooit echt aangeslagen, en dat is onterecht. Naast een schijfje citroen is een goede sigaar een uitstekend compliment voor een koen glas Dentergems wit. Bij de keuze van een sigaar gaan de gedachten in de eerste plaats uit naar een Wilde Havanna. De combinatie is stoer, maar toch altijd vermakelijk, vooral als de roker iets nieuws draagt.
In die jaren werd er ook wel bij mijn promotor aangegaan. Hij ontving ons zeer gastvrij op zijn boerderij in het Twentse achterland. Als het weer het toeliet zaten wij 's avonds lang tussen noot - en fruitbomen met een grote kaars, een flinke kaas en enkele glazen uit de hooggeleerde wijnkelder. Ter begeleiding van al dit moois namen we vaak Corps Diplomatique mee, meestal de International maar toch ook de President.
Vermeldenswaardig is natuurlijk dat men voor sommige verfijnde Hollandse sigaren naar het buitenland gaat. Voor een voorraadje Slim Panatella van Henri Wintermans of Balmoral Diana steekt men graag naar Engeland over. De Britten moeten de betere sigaar importeren, hun eigen produkten stellen wat teleur. Dat is opmerkelijk, gezien de Britse volksgeest en hun koloniale verleden.
De jaren verstreken. Ik was inmiddels onder de wapenen geweest en realiseerde me dat de sigaar mij nam in plaats van ik haar. Het einde van mijn verhouding met La Donna - Sumatra cum Laude - werd ingeluid op 28 januari 1993. Het was op die avond dat in een Arnhems café ons bondgenootschap gesmeed werd. Ik stel voor dat we te zijner tijd, als we kunnen constateren ex-rokers te zijn geworden, een fles champagne aanbreken en eens hartelijk om onszelf lachen, om vervolgens te vergeten dat we ooit gerookt hebben. Wat moeten we anders?
Zondag 28 maart 1993
Enkele dagen geleden werd er door mij gesteld dat ik het dit keer wel zou redden. De kritische lezer weet natuurlijk dat men dit niet a priori beweren kan. Ik weet dat ook wel - ik spreek immers uit jarenlange ervaring. Het moge duidelijk zijn dat er wat voorgevallen is. Dit weekeinde heeft zich, een week eerder dan verwacht, de eerste crisis aangekondigd.
Zo'n crisis heeft een algemeen patroon. Er doet zich een ongemakkelijke situatie voor waarin men, om de situatie het hoofd te bieden, zou gaan roken. Nu is het niet meer mogelijk om te roken, en deze onmogelijkheid genereert een tweede stressor. Er is sprake van terugkoppeling, waardoor resonantie gaat optreden. De resonantie uit zich in de vorm van spanningen, waarvan de oorzaak geen verband lijkt te houden met de eerdergenoemde situatie die de crisis veroorzaakt. Als men zich ervan bewust is dat de gefrustreerde verslaving dit psychische rookgordijn aanlegt, dan maakt men een goede kans de crisis te doorstaan - deze gaat vanzelf in rook op.
Onderhavige crisis was hevig genoeg om 's nachts in mijn dromen van zich te doen spreken. Wij, de kinderen van de zestiger jaren, werden opgevoed met de idee dat de droom een mysterieus proces is waarmee men het onverwerkte verwerkt. Laatst echter kwam mij een alternatieve theorie ter ore. De droom is hierin slechts een artefact die ontstaat omdat de zintuigen in de slaap niet actief zouden zijn. De hersenen maken vanwege het ontbreken van zintuiglijke waarneming slechts willekeurige associaties. Omdat recente gebeurtenissen een prominente plaats in het geheugen innemen, keren deze als vanzelfsprekend terug in de droom. Er is geen sprake van verwerking, of van onbegrepen weerspiegeling van de ziel.
Het zou mij niets verbazen, beste lezer, als deze alternatieve theorie gepropageerd wordt door lieden die beweren niet te dromen. Zij kennen de droom niet, en daarom kan hij niet bestaan, in ieder geval niet als iets ongrijpbaars. Deze gedachtengang is menselijk, maar als u net als ik een actief dromenleven hebt, dan weet u dat de theorie niet waar kan zijn. Als men ergens door beziggehouden wordt, dan droomt men daar inderdaad wel eens van. Minstens zo vaak echter droomt men dan over ongerelateerde voorvallen die zich lang geleden afspeelden, of die zelfs nooit plaatsgevonden hebben.
Bekend is het verschijnsel dat als men erg vermoeid is, delen van eerdere dromen zich aan het geestesoog opdringen - dit bij verslapt maar vol bewustzijn. Dit maakt het onwaarschijnlijk dat dromen enkel het gevolg zijn van ruis op de invoer van één of ander associatiemechanisme in het brein. Daarnaast is het onnauwkeurig te beweren dat zintuigen in de slaap geen informatie doorgeven - het kan eventueel zo zijn dat de hersenen in de slaap zintuiglijke informatie vanaf een zeker niveau afleiden. De resulterende stilte in het hoofd is waarschijnlijk een noodzakelijke - doch onvoldoende - conditie voor de ontwikkeling van volledige dromen.
Ik geef toe mijn beweringen te doen aan de hand van het gedrag van slechts één proefpersoon - ikzelf - maar dit is een wetenschappelijke methode welke in het psychologisch onderzoek gangbaar is (sic). Ik zie vooralsnog geen argument om aan te nemen dat het onderbewustzijn niet een actieve rol in de totstandkoming van een droom heeft, en blijf de mening toegedaan dat men 's nachts inzicht krijgen kan in de eigen psychische gesteldheid.
In een recente droom verschafte ik me een doos sigaren - de omstandigheden waren er naar, geloof me - maar het frappante is dat ik, in de droom, me later schuldig voelde terwijl ik me niet kon herinneren of ik er daadwerkelijk één genomen had. Ik heb dus opgestoken, maar wilde het per se net weten. Dit gegeven duidt er op dat de innerlijke strijd zich tot de diepten van het onderbewustzijn uitstrekt. Daarom is de afloop van deze poging om met roken op te houden nog lang niet zeker, ook al heb ik de eerste crisis doorstaan.
Maandag 29 maart 1993
Zelfs de grootste sceptici zullen er nu aan moeten geloven. De beelden die de Hubble-telescoop ons toont zijn evident. Wie ontkent dat hier niet de sporen van een zwart gat zichtbaar zijn zal met evenveel gemak beweren dat de Aarde plat is. Ik doel natuurlijk op de foto van een ringvormig melkwegstelsel, dat vanuit het middelpunt een enorme jet het heelal instuurt.
De verklaring voor dit verschijnsel is dat zich in het centrum van het stelsel, dat uit vele miljoenen sterren bestaat, een zeer zwaar zwart gat bevindt dat niet eens veel groter zal zijn dan een flinke ster. Nabij het gat vindt generatie van materie plaats, in paren van een deeltje en een corresponderend antideeltje. Eén deeltje van het paar wordt door het gat ingevangen en het antideeltje wordt in het door het roterende stelsel opgewekte magnetische veld versneld en zal gaan stralen - vandaar de enorme jet. De opmerkelijke structuur van het stelsel kan begrepen worden uit de extreme gravitatie van het zwarte gat.
Rode bloedlichaampjes hebben eenzelfde torodale vorm als het voornoemde sterrenstelsel. Volgens een Delftse hoogleraar, die ik ooit tijdens een lezing over hemoreologie een minzaam pleidooi tegen het roken hoorde houden, zijn de elastische eigenschappen van de celwanden van rode bloedlichaampjes veertien dagen na het ophouden met roken weer normaal. Dat schijnt bevorderlijk voor de gezondheid te zijn, daar deze cellen zich dan makkelijker door de haarvaten kunnen bewegen.
Vandaag ben ik twee weken van het roken af. Als ex-roker bevindt men zich aanvankelijk op kritische afstand van een zwart gat. Men ervaart hoezeer tijd en ruimte gekromd worden door een bron van buitengewone aantrekkingskracht. Het is zaak zich snel van deze bron te verwijderen, en dat kost veel energie. Kan men zich niet tijdig van de aantrekkende kracht bevrijden, dan is men gezien en verdwijnt men roemloos achter de waarnemingshorizon.
Dinsdag 30 maart 1993
Een toenemend aantal universiteiten laat de eis varen dat er bij een proefschrift stellingen gevoegd dienen te worden. Dat is jammer, want daarmee raakt het enige deel van een proefschrift dat door een breed publiek gelezen wordt, uit de gratie. De stellingen geven daarnaast een opponent de gelegenheid te verbergen dat hij een proefschrift niet gelezen heeft, maar dit terzijde. In mijn tijd, dames en heren, moesten er bij een proefschrift minstens acht stellingen gevoegd worden, waarvan er minstens vier geen betrekking op het door de promovendus betreden vakgebied mochten hebben.
De laatste stelling is traditiegetrouw de meest interessante, omdat deze volgens een ongeschreven wet een aparte status heeft - men kan er open deuren mee intrappen en men kan er diepe inzichten mee verkondigen. Ik meende destijds geen vermeldenswaardige inzichten verworven te hebben naast die waarover men maar beter zwijgt, dus poneerde ik ter compensatie een stelling die niet voor de hand lag, maar die toch een aardigheid bevatte.
Het vinden van een pangram dat drieënzestig maal een a, twee maal een b, zes maal een c, zeven maal een d, honderdeen maal een e, vier maal een f, tien maal een g, acht maal een h, vierentwintig maal een i, vier maal een j, één maal een k, zevenentwintig maal een l, achtentwintig maal een m, zesenvijftig maal een n, vijf maal een o, twee maal een p, één maal een q, acht maal een r, zes maal een s, vijfentwintig maal een t, twee maal een u, veertien maal een v, acht maal een w, één maal een x, één maal een y en acht maal een z bevat, is nog niet zo eenvoudig. De methode van Hofstadter werkt, maar om andere redenen dan hij vermoedt.
Het bleek dat vrijwel niemand begreep wat de aardigheid van deze stelling was. Die aardigheid ligt ook niet voor de hand, in dat opzicht is het geen goede stelling - dat geef ik toe. Daarom zal ik nu alsnog de geschiedenis van het ontstaan ervan uit de doeken doen.
Een pangram is een zin die alle letters van het alfabet minstens één maal bevat. De eerste zin van de stelling is een pangram, zoals men eenvoudig vaststellen kan. Een pangram heet zelf-inventariserend als uit het pangram blijkt hoe vaak elke letter van het alfabet er in voorkomt. Het is wat bewerkelijker om aan te tonen dat de eerste zin van de stelling inderdaad een zelf-inventariserend pangram is. Dat is nu de aardigheid, want er bestaan maar heel weinig van zulke pangrammen - het is erg lastig om ze te vinden.
Een heldere geest is ooit op het idee gekomen om daar met een speciale machine - de zogenaamde logological rocket - naar te zoeken. Het was Hofstadter die suggereerde om met een iteratieve methode naar zelf- inventariserende pangrammen te zoeken, dan konden tenminste gangbare computers gebruikt worden. Voor een uitvoerig verslag van één en ander zij verwezen naar het mooie boek Metamagical Themas van Hofstadter. Ik las destijds dit boek, vond zijn idee prachtig en zag er brood in voor een stelling.
Ik stak om het hoofd te verwarmen een sigaar op en haastte me aan het werk. Binnen een dag was er een programma operationeel dat zelf- inventariserende pangrammen moest kunnen vinden, maar dat ze nooit gevonden heeft. Toen wist ik zeker dat er een stelling in zou zitten - het idee van Hofstadter deugde niet! Gedreven bracht ik modificaties aan en na een grote rekenpartij werd de eerste zin van de stelling gevonden.
Trots toonde ik mijn promotor dit resultaat. Onder het genot van een gezellig sigaartje legde ik één en ander uit, en tot mijn voldoening werd de stelling geaccepteerd. Tijdens de openbare verdediging van het proefschrift werden er echter vragen gesteld over, u begrijpt het al, een andere stelling. Toen speet me dat, maar nu ben ik toch blij er destijds geen doos sigaren om verwed te hebben.
Hofstadter heeft namelijk - bij nader inzien - volkomen gelijk.
Woensdag 31 maart 1993
Ik behoor tot het weerbare deel van de bevolking, en heb dus de militaire dienstplicht moeten vervullen. Dat heeft in 1992 plaatsgevonden, een jaar waarin de aangekondigde bezuinigingen op het defensiebudget - de koude oorlog was net voorbij - het humeur van menig beroeps aardig verziekte. Ik heb gediend bij het toenmalige 543e verbindingsbataljon en was gelegerd op de Kromhoutkazerne te Utrecht. Over één gebeurtenis uit dat jaar wil ik verslag doen, de leuke verhalen over hoe ik een man werd bewaar ik bij mijn verzameling borrelpraat.
In december van het jaar, ik zou bijna afzwaaien, vond er een grote oefening van het vaderlandse leger plaats. Het gerucht ging dat het de laatste oefening van dergelijke omvang zou zijn, en zeker de laatste waarvoor herhalers opgeroepen zouden worden.
Ik liet me vertellen dat ons leger uit twee divisies bestond, de eerste en - logisch - de vierde. De vierde divisie nu ging twee weken op oefening in Duitsland. De eerste week gingen er vierduizend man, de tweede week zesduizend, en in het weekeinde waren ze er allemaal - tienduizend man. Er werd dan ook druk postverkeer verwacht tussen militairen onderling maar vooral tussen militairen en hun burger achterban. Daarom moest uitgerekend ik mee - als commandant van het veldpostkantoor.
Op een maandagochtend vertrokken we in alle vroegte vanaf de Generaal-majoor Kootkazerne te Garderen in een lange colonne van het 103e aanvullingsplaatsbataljon, waar we gedurende de oefening als postduiven onder bevel gesteld waren. Zes uur lang afzien achterin een vrachtwagen, gezeten op houten banken en geen ander uitzicht dan de weg achter je. Het was koud en het regende. Toen werd duidelijk wat de komende weken het grootste tijdverdrijf zou zijn - roken.
Een postkantoor te velde is iets moois. Het is gevestigd in een rondboogtent met daarin een paar houten tafels met dito sorteerkasten, een loeiende dieselkachel waarop in veldflesbekers koffie gekookt wordt, en een stel onopgemaakte veldbedden waarop de halve persoonlijke standaarduitrusting uitgestald is. Als klant word je te woord gestaan door een ongeschoren vent met een pistoolmitrailleur op schoot. En als er balken en sterren binnenkomen wordt er een ongewassen commandant van zijn bed getrapt - hij is tot diep in de nacht in de weer geweest. Als hij slaapdronken iets in het midden probeert te brengen struikelt hij over een groot machinegeweer. Kortom, onder mijn bevel heerste er een discipline waarover aangewaaid pantserinfanteriekader snikkend enthousiast was, maar de postverbinding met Nederland heeft gelopen als een trein, en daar ging het toch om.
Eén groot voordeel - de tabak was belastingvrij! En dat was maar goed ook, want de paar dozen sigaren die ik uit Nederland meegenomen had - waar ik normaal gesproken twee weken op had kunnen teren - waren verrassend snel op. Als surrogaat heb ik me tevreden moeten stellen met zware van Nelle, maar in zo'n baaltje gaat ook niet meer zoveel shag als vroeger. Geen nood, er circuleerden genoeg pakjes Marlboro en Camel, hoewel je als sigarenroker er daar drie tegelijk van opsteken kunt zonder dat je veel merkt.
De nacht voordat we terug zouden keren naar Nederland was ik nog éénmaal wachtcommandant - het is het laatste serieuze werk dat ik voor de krijgsmacht verricht heb. Het kader was zeer bezorgd dat er in die korte nacht iets zou gebeuren met de al gereed staande colonne - voor het eerst had de wacht echt iets om te bewaken. In de vier lange uren, ijsberend in en rond een koude boerenschuur met daarin een slapend peloton, heb ik een pakje Marlboro aardig te grazen genomen.
Deze tabaksorgie in Duitsland heeft er mede toe geleid dat ik maar met het roken opgehouden ben. Op de eerste dag van mijn rookvrije leven heb ik van alles dat met roken te maken heeft aan het vuilnis meegegeven, maar niet een aansteker die ik op de oefening via het verzorgingsdetachement Seedorf heb gekocht.
Een echte Zippo - een groene.
Maandag 5 april 1993
Vraag. U wilt hier gaan roken. Mag dat?
Het moest er ooit van komen. Vandaag werd een eerste stap gezet in de richting van de begeerde two-seater - met het afleggen van het theorie-examen categorie A en B. Ruim op tijd meldde ik mij bij de aangewezen vestiging van de examinerende instantie. Toen ik de deur opendeed, keek ik bezorgd tegen een muur van rook op. Het was wat men verwachten moest van een ruimte, gevuld met mensen die hun theoretische danwel praktische rijvaardigheden vast wilden laten stellen.
Dapper bestelde ik een kop koffie, viste er de peuken uit en nam een stoel, waarop ik ging zitten nadat ik de as van de zitting had geveegd. Ik hoorde aan hoe vier hevig rokende examinandi, die allen de indruk wekten reeds eerder in deze ruimte te zijn geweest, zenuwachtig debatteerden over de voorrangsrechten van militaire colonnes op voetgangers, of zoiets. Zelf nam ik de laatste details van de materie door met een vriendelijke jongedame die als zovele aanwezigen haar zelfvertrouwen per pakje van vijfentwintig stuks in haar tasje vervoerde.
Interessant was het om eens een sigarenrokende generatiegenoot te observeren. Hij was vreselijk nerveus, waardoor zijn gedrag niet in overeenstemming met zijn rookwaar was. Ook hij bleek recidivist. Toen besefte ik een dergelijke samenscholing van relatief kalme nieuwelingen en zenuwachtige recidivisten eerder gezien te hebben - in de wachtkamer van een afdeling kaakchirurgie.
Na een half uur klonk er een onduidelijk belletje waarop de recidivisten gehaast de examenzaal binnendrongen. De nieuwelingen deden het rustig aan, de tafels waren immers al toegewezen. Het was goed dat er in de zaal niet gerookt mocht worden, al was het alleen maar vanwege de waarneembaarheid van het projectiescherm. Na afloop van het examen werd na een bewogen kwartier de uitslag medegedeeld. Schaamteloos werd de deur gewezen aan de afgewezenen. Wij, een minderheid, bleven achter.
Antwoord. Neen. Op luchtwegen geldt een rookverbod.
Maandag 12 april 1993
Afgelopen donderdag trad ik als paranimf op bij de promotie van één mijner vrienden. Ondanks het feit dat het een bewogen dag was - ik moest in de taxi mijn das nog strikken - liep alles op rolletjes. Totdat we gingen eten, want tijdens het buffet gebeurde waar ik bang voor was. Ik kreeg namelijk een ongezonde trek in een sigaar. Zelfs toen ik nog rookte heb ik zelden zo naar een sigaar verlangd. Pas tijdens de traditionele nazit-bij-de-promovendus-thuis verdween deze perverse lust, en kwam ik met de schrik vrij.
Vandaag ben ik vier weken, noem het een maand, van het roken af. Aan de ene kant is dat reden tot vreugde, ik heb immers driehonderd sigaren laten liggen, maar aan de andere kant is er de gefrustreerde verslaving die nu indringend zeurt. Iemand die nooit gerookt heeft kent dat gevoel niet, dus moeten wij, les misérables, steun zoeken bij ex-rokers die reeds lang geleden met het roken opgehouden zijn. Niet zozeer om te horen dat we vol moeten houden, dat bedenken we zelf wel, maar veeleer om met eigen ogen te zien dat het echt lukken kan.
Zaterdagavond hebben mijn bondgenote en ik bescheiden gevierd dat het embargo op vrijdag drie weken van kracht was, en wonderwel met uitzondering van een enkel incident nageleefd is geworden. Dat is natuurlijk goed nieuws, maar wij mogen onze ogen er niet voor sluiten dat het bereikte resultaat zeer fragiel is. Het had - denk ik - niet veel gescheeld of we waren beiden diezelfde avond weer voor de bijl gegaan. Verbaasd hoeven wij er niet over te zijn, want de vierde en vijfde week zijn berucht - hier slagen slechts de volhardensten. Bezorgd overzie ik de situatie en neem mij voor het in ieder geval niet zó gemakkelijk op te geven - maar gerust ben ik er niet op.
Donderdag 15 april 1993
Onlangs werd ik beziggehouden door een beklemmende gedachtenvoorstelling. Een mediateur toonde mij drie gesloten dozen - in twee ervan was een sigaar gelegd. Ik moest een doos kiezen, die vervolgens geopend zou worden. Zou er een sigaar tevoorschijn komen dan moest ik deze opsteken en was mijn poging om met roken op te houden ten einde. Ik wees met bevende handen een willekeurige doos aan. De goedwillende mediateur, die wist in welke dozen er sigaren verborgen waren, opende daarop een andere doos waarin een sigaar lag. Vervolgens stelde hij me in de gelegenheid om op mijn keuze terug te komen. Wat moest ik doen? Zouden mijn kansen anders komen te liggen als ik van doos zou wisselen?
Ik besteedde verder niet veel aandacht aan de schijnbaar academische vraag die in deze gedachtenvoorstelling naar voren komt. Tijdens een rustig moment echter realiseerde ik me dat de vraag in het geheel niet academisch is, want tijdens een TV-quiz komt deze aan de orde! Neem bijvoorbeeld een quizmaster die aan een kandidaat drie dozen toont, waarvan er één de auto bevat. Er wordt lukraak een doos gekozen, waarop de quizmaster - die weet in welke doos de hoofdprijs zich bevindt - een andere lege doos opent en de kandidaat in de gelegenheid stelt om opnieuw een keuze te bepalen. Het werd me duidelijk dat het vraagstuk opgelost diende te worden, met de oplossing is wellicht ooit geld te verdienen.
De meesten zullen in eerste instantie zeggen dat het niet uitmaakt of de kandidaat zijn keuze herziet. De kans op de hoofdprijs blijft in beide gevallen gelijk, zo onderstellen zij. Maar toch ligt het niet zo voor de hand. Door een doos te openen en de mogelijkheid te bieden om de keuze te herzien geeft de quizmaster de kandidaat feitelijk de mogelijkheid om twee dozen in plaats van één doos te kiezen. Daarmee wordt de kans om zich in een auto van het podium te begeven twee op drie, in plaats van één op drie. De kandidaat moet dus wisselen, dat verdubbelt zijn kansen.
Ik verlangde empirisch bewijs voor deze verrassende bewering en besloot tot het uitvoeren van een simulatie-experiment. Ik liet een computer tienduizend maal de finale van een quiz nabootsen. In iedere nagebootste quiz was er een spelleider die wist in welke doos de auto stond, en waren er drie kandidaten - één die nooit wisselde, één die altijd wisselde, en één die een munt opgooide. In spanning staarde ik naar de vele honderden TV-seizoenen die in luttele momenten door het elektronische brein gegenereerd werden. Tot mijn genoegen bleken inderdaad twee van de drie kandidaten die altijd wisselden een auto te winnen. Zij die nooit wisselden kregen, geheel volgens verwachting, in slechts één op de drie gevallen een voertuig mee naar huis en van hen die gokten haalde vanzelfsprekend maar de helft de buit binnen.
In eerdergenoemde gedachtenvoorstelling zou ik dus, teneinde de kans om de sigaar niet te treffen te maximaliseren, alsnog van doos moeten wisselen. In tegenstelling tot het hier behandelde vraagstuk is de gedachtenvoorstelling op zichzelf wél academisch, en moeten we ons bezinnen op de vraag waar we thans in werkelijkheid staan. Over enkele dagen zal ik vijf weken van het roken af zijn. Eénmaal eerder ben ik dat punt gepasseerd, en toen heb ik het ook vijf jaar volgehouden. Maar ik hoef u niet te vertellen dat er in het leven geen garanties gegeven worden.
Zondag 1 januari 1995
Het is zover. Gisterenavond bevond ik mij in goed gezelschap teneinde het nieuwe jaar in te luiden. Mijn bondgenote gaf, niet geheel onverwacht, te kennen al twee dagen eerder het roken opgegeven te hebben. Hoewel mijn horoscoop mij het tegendeel adviseerde begreep ik het belang van deze dappere stap en zegde zonder veel na te denken toe me bij dit voornemen aan te sluiten - al heb ik nog een enkel sigaartje gebruikt om er vuurwerk mee af te steken.
Nu, op nieuwjaarsdag, moeten wij ons ernstig beraden op de vraag hoe de verhoudingen in het spontaan hernieuwde bondgenootschap moeten komen te liggen nadat tijdens de vorige poging duidelijk werd dat allianties gedoemd zijn te falen, onder andere omdat de deelnemers teveel begrip voor elkaars moeilijkheden hebben. Evenmin hoeft men een positief resultaat te verwachten van competitie tussen de deelnemers, zoveel is de vorige keer ook wel aangetoond. Geen spot en hoon dit maal. Verder zondigen we tegen de empirische regel dat de leden niet op hetzelfde moment moeten stoppen, maar met tussenpozen van enkele weken - dit om elkaar te kunnen steunen tijdens de onvermijdelijke crises, in plaats van elkaar te beklagen.
Zoals in de eerste serie al opgemerkt werd is per deelnemer de kans op succes hoofdzakelijk bepaald door de frequentie van zwakke momenten vermenigvuldigd met de kans dat er op een zwak moment tabak binnen vuurbereik is. Het interne conflict kan genadeloos zijn en daarom vraag ik mij steeds weer af in hoeverre steun van anderen ons helpt om van de tabak af te blijven. Het zou me niet verbazen als zij niet méér kunnen doen dan het opwekken van een solidariteitsgevoel, en dat ieder voor zich er moederziel alleen voor staat. Ik heb dan maar één kans - ik moet schepen achter mij verbranden, en orde brengen in mijn bestaan.
Maandag 2 januari 1995
Vandaag is het een bijzondere dag. Daar ik voorjaar 1993 werkzoekend was, is dit mijn eerste rookvrije werkdag sinds jaren en dat brengt geheel eigen problemen met zich mee. Zoals altijd is stoppen met roken fnuikend voor zowel nachtrust als concentratievermogen zodat ik vanochtend voor dag en dauw mijn uiterste best moest doen om naast mijn eigen blunders ook de fouten op te vangen van al die andere weggebruikers die gisteren met roken gestopt zijn. Maar ik was werkelijk vergeten voor welk dilemma een nieuwe ex-roker gesteld wordt zodra de werkplek bereikt is - wat vertel ik mijn collega's eigenlijk?
Het heeft weinig zin om niet rokende collega's met het vrome voornemen op de hoogte te stellen. Dit levert op zijn best een schampere aanmoediging als "tot aan de koffiepauze zeker" en op zijn slechtst een schaamteloos zwelgen in het eigen gelijk als de arme ex-roker weer eens jammerlijk faalt. Nee, de niet rokende collega merkt vanzelf wel het verband tussen rook en vuur.
De rokende collega daarentegen vormt een geval apart. Wat zegt men tegen iemand die, een geurig sigaartje in de hand houdend, je een goed nieuw jaar wenst? Door het voornemen kenbaar te maken riskeert men een vertrouwensbreuk - onder leden van een immer krimpende groep is saamhorigheid een groot goed en worden renegaten steeds minder gewaardeerd. Het lijkt daarom raadzaam om spontaan aangeboden rookwaren beleefd te weigeren middels een minzaam gesproken "ik wacht liever even".
Een derde categorie wordt gevormd door collega's die ook gestopt zijn. Hiermee moet men zich onmiddellijk solidair verklaren, maar misschien met geen ander motief dan niet voor ze onder te willen doen, zodat ze eens kunnen zien hoe men dit varkentje wast. Deze bluf-en-bravoure-tactiek is een klassieke manoeuvre in de oorlog die het stoppen met roken eigenlijk is en staat als kansrijke optie te boek in de literatuur over dit onderwerp.
Dinsdag 3 januari 1995
Vanochtend werd ik even voor de koffiepauze gebeld door M, een Amsterdamse arts die onder andere belast is met de periodiek medisch onderzoeken op ons bedrijf. Enigszins verbaasd luisterde ik naar een opgewonden stem. "Hallo. Luister. We hebben je dringend nodig. Kun je direct naar het AMC komen, afdeling virologie". Ik probeerde bezwaar te maken maar M drong aan. "Ik kan het aan de telefoon niet uitleggen maar het is van groot belang dat je komt". Gedreven door nieuwsgierige onrust stapte ik in de auto.
Bij de afdeling virologie aangekomen meldde ik me bij de receptie. Vriendelijk werd ik een ruimte binnengeleid met het verzoek even te willen wachten, maar ik was nog niet aan de grote tafel gaan zitten of vier mannen in witte jassen spoedden zich naar binnen. M was er niet bij, wat mij verbaasde. Eén der heren maakte zich bekend als viroloog, en stelde zijn collega's voor als zijnde een immunoloog, een biochemicus en een co-assistent. Zij legden hun lijvige dossiers op tafel en namen tegenover mij plaats.
De viroloog nam aarzelend het woord. "M heeft ons op uw geval gewezen, vandaar dat hij aandrong op uw komst". Ik knikte onbegrijpend. "Ik zal ter zake komen", hernam de viroloog, "we hebben tests gedaan op uw bloedmonster van het PMO". Nu keek hij me indringend aan. "Uit de witte bloedlichaampjes hebben wij een nieuw virus gesoleerd". Ik was met stomheid geslagen. "U bent pas de achtste persoon ter wereld bij wie het aangetoond is. Er is nog niets over dit onderzoek openbaar gemaakt".
Nadat zijn woorden tot me doorgedrongen waren hief ik het hoofd vragend op. De viroloog knikte naar de immunoloog, die in de grijze winterlucht naar woorden zocht. "Kijk", zo begon hij eindelijk, "de virusmantel bestaat uit een enzym dat regeneratieprocessen stimuleert. Als het virus van tijd tot tijd actief wordt treedt overcompensatie van veroudering op. Uw biologische leeftijd loopt nu al aantoonbaar achter". Ik had moeite om dit te geloven. "Wilt u beweren dat ik onsterfelijk ben?", daagde ik uit. "Niet onsterfelijk", antwoordde de biochemicus, "maar uw levensverwachting zou heel goed op honderd dertig tot honderdvijftig jaar kunnen liggen".
Ongelovig vroeg ik hoe ik besmet kon zijn geworden. "Ziet u", sprak de immunoloog, "het virus is nauw verwant aan TMV, dat alleen in tabaksplanten voorkomt. Alle besmette personen zijn jonge, sigarenrokende mensen. Het virus is echter zwak. Teneinde extreem oud te worden zult u moeten blijven roken". Nu zag de viroloog zijn kans. "We vragen uw medewerking aan dit onderzoek", sprak hij verwachtingsvol, "en wij voorzien u de rest van uw leven van de mooiste sigaren". De co-assistent bracht nu ook iets in het midden. "Dat zijn bijna een kwart miljoen Havanna's".
Het vooruitzicht een heel lang leven dure sigaren te kunnen roken had mij danig van mijn apropos gebracht. Ternauwernood kon mijn betere helft nog een kritische wetenschappelijke opmerking plaatsen. "Maar dit kan toch niet waar zijn …", probeerde ik tegen te werpen. De medici keken mij slechts ernstig aan.
Woensdag 4 januari 1995
Met zijn handen in de zakken liep hij losjes op me toe. Aan zijn lachende blik zag ik direct wat hij zou gaan vragen. "Heb je nog een sigaartje voor me?". Nu had ik die vroeger altijd wel voor hem, dus nu was het uur der waarheid daar. "Nee, ik ben er doorheen", zei ik ontwijkend, hopend dat hij het niet zou merken. Die hoop bleek vergeefs. "Ben je ervan af of zo?". Nu was het wachten op de van teleurstelling sprekende opmerking, die al snel kwam. "Ben je ziek of zo, voel je je wel lekker?".
Toen gebeurde er een klein wonder. Even keek hij me nadenkend aan en sprak daarna het onmogelijke uit - "eigenlijk wel goed, ik zal er ook mee ophouden". Ik stond perplex. Dit was een geschenk uit de hemel, want als hij met roken stopt kan ik niet meer op mijn werk roken. Zijn kantoor was namelijk de enige plaats in het gebouw waar men een sigaartje kon opsteken zonder de toorn van de anderen op de hals te halen. De andere mogelijkheid was de immer blauwe kantine op de fabriek, maar die is onverantwoord ver lopen.
De schepen werden voor mij verbrand. De kans dat het onvermijdelijke gaat gebeuren, neemt toe.
Donderdag 5 januari 1995
Mijn generatiegenoten zijn nog opgevoed met het idee dat een man niet mag huilen. Tegenwoordig weten wij wel beter, maar voor ons, mannen van boven de dertig, is het te laat. Emotioneel gehandicapt zullen wij de rest van ons leven liever de tong afbijten dan een traan te laten. Aan de andere kant weten zij die ons omringen dat ls wij onverhoopt huilen, er echt iets aan de hand is.
Als ieder gezond mens hebben wij echter ook een emotionele uitlaat nodig, en voor velen ligt deze in de biecht. Mijns inziens heeft de Katholieke kerk, van oudsher een mannenmaatschappij, de biecht om deze reden, het psychisch welbevinden van de manlijke gelovigen, tot gebruik verheven. Als een man zijn geheimen met u deelt, huilt hij. U voelt natuurlijk haarfijn dat ik u iets wil opbiechten, om daarmee in één klap weer orde te scheppen in mijn leven.
Er zijn weinig zaken waarmee ik meer moeite heb dan met roken te stoppen. En het ergste is nog wel dat deze zwakte mijn eer te na is. Geef mij een verloren positie en ik zal haar met liefde verdedigen. Geef mij een lastig probleem en ik zal naar een oplossing blijven zoeken tot geen mogelijkheid meer onbenut is. Maar gewoon dat sigaartje laten liggen, nee. Ik kan dat niet, en als ik niet beter wist zou ik me afvragen waarom ik het steeds maar weer probeer.
Ik heb reeds vele malen geprobeerd om de fout te herstellen die ik op mijn vijftiende maakte - een sigaret op te steken. Vele malen, waarvan de meeste roemloos gefaald zijn daar deze pogingen spaak liepen in perioden die uiteenliepen van enkele uren (bah) tot enkele dagen. Eénmaal kon ik het vijf jaar volhouden, en er zijn een aantal pogingen zoals die in 1993 geweest, maar steeds ben ik er weer ingestonken en maakte ik mezelf meestal weer wijs dat ik het vanaf die keer wel in de hand zou kunnen houden.
Maar misschien is het helemaal niet moeilijk. Zo is er nog de mogelijkheid dat het alleen maar lastig lijkt. Ik hoef u niet te vertellen dat veel mensen zich geen raad weten met situaties waarin succes voor het grijpen ligt, want zij grijpen daarin mis. Om de situatie alsnog tot een goed einde te voeren moeten zij eerst een voordeel inleveren. Het advies dat hieruit volgt lijkt problematisch - koop een doos sigaren.
Zaterdag 7 januari 1995
Vandaag ben ik alweer een week rookvrij. Ik moet zeggen dat het makkelijk gegaan is, deze keer. Ik heb er afgelopen week zelfs op gestaan dat er in een restaurant in het niet-roken gedeelte plaats genomen moest worden. Hoe komt dit - is het moeizaam verkregen routine of is de tijd daar dat ik de tabak moeiteloos achter me laten kan? Geen van beide, vrees ik. Ik was namelijk flink verkouden.
Twee jaar geleden schreef ik na een hele week afzien een verhandeling over het opgeven van pogingen om met roken te stoppen en belichtte enige factoren van de dynamiek van het verwerkingsproces. Wat ik toen nog niet wist, maar enkel kon vrezen, was dat ik zo'n drie maanden later weer de sigaar was. Interessant is het te constateren dat ik destijds, misschien in een wanhopige doch ijdele poging om het beschadigde prestige te redden, bezwoer om nimmer meer te stoppen met roken, om door te gaan tot het bittere einde. Ik realiseerde me kennelijk niet dat ik daarvoor vanuit Nietzsches filosofie had aangetoond dat rokers niet anders k£nnen dan te proberen met roken te stoppen.
Hoe het ook zij, een weekje is natuurlijk niets. Binnenkort, over ongeveer één of twee weken, zal de eerste crisis ongekend hard toeslaan. Twee of drie weken daarna volgen er andere. Nu zie ik deze crises met enig vertrouwen tegemoet want ik weet ondertussen dat het voor mij echt gevaarlijke punt er pas n komt. Als het gevaar geweken lijkt, begin ik weer terug te verlangen naar het zoete genot van een sigaartje bij de koffie. Dan is het moment daar dat de jongens van de mannen gescheiden worden. Dan zal blijken of ik de laatste twee jaar wat gegroeid ben.
Woensdag 11 januari 1995
U bent thans getuige van een uniek moment. Dit stukje wordt geschreven door een ex-roker in hevige tweestrijd. De eerste crisis dient zich aan, hier en nu, en ik wil twee dingen. Ten eerste wil ik, onverschilligheid voorwendend, hiernaast naar binnen lopen en een sigaar uit de doos pakken, me even meewarig laten toelachen en dan gewoon weer tot de orde van alledag terugkeren. Ten tweede wil ik het eerste niet willen. En dat terwijl er in het kantoor naast mij heerlijke sigaartjes gerookt worden. Bah! Driewerf bah!
Heb ik wel eens verteld dat er zich tijdens het vijfjarig bestand, na een paar jaar nota bene, een incident voordeed? Het was op een warme zomerdag dat ik niet zo'n klein beetje zin in een sigaret kreeg. Ik heb nog enkele uren gepoogd om deze drang de baas te worden maar uiteindelijk stond ik toch, mijn schaamte verbergend, een pakje sigaretten te kopen. Het waren nog light sigaretten ook, waarschijnlijk om het geweten wat te sussen. Eén heb ik er genomen en het was heerlijk, alsof ik nooit gestopt was, alsof er geen paar jaren verstreken waren. Toen kwam ik weer tot mezelf, smeet het pakje ver weg en geneerde me dood dat ik het zover had laten komen.
Zo gaat dat nu altijd. Het kost je tijden om het roken van je af te zetten. En op een gegeven moment, misschien afhankelijk van de omstandigheden, interesseert het je domweg niet meer. Dan is het alleen nog de vraag of je aan tabak kunt komen. Gebeurt het midden in de nacht dan heb je kans dat je de volgende ochtend wel weer bij zinnen bent. Ben je met een medestander dan kun je je daar nog aan vastklampen. Maar zit er iemand in de werkruimte naast je een sigaar te roken, een royaal geassorteerde doos voor zich, terwijl een andere collega lyrisch een nieuw ontdekte tuitsigaar beschrijft - dan worden er jongens van mannen gescheiden.
Maandag 16 januari 1995
Zondagavond ben ik met een interessant experiment begonnen, waarin ik met vuur speel. Als geheelonthouding op de lange duur niet anders dan tot recidivisme leidt, dan moet men andere wegen bewandelen. Zo heb ik bij gelegenheid heel sociaal een sigaartje meegerookt. Ieder woord hernieuwt de verbroken stilte.
Vandaag moest dus blijken of ik dit nobele voornemen gestand kon doen daar de zwoele verlokkingen rondom mij lonkten. Ik geef toe even op mijn voetstuk gewankeld te hebben maar mijn keuze is gemaakt, ook al heb ik over een paar maanden misschien vreselijk spijt van deze hele, al weer twee weken oude, operatie.
"Smoesjes - de scheuren zitten er al weer in", hoor ik u denken, en ik kan u daar geen ongelijk in geven. Stink ik weer in mijn eigen fouten? De tijd zal het leren. Als ik ten onder moet gaan, dan nu tenminste een keer in stijl.
Dinsdag 24 januari 1995
De geleerden zijn het er over eens geworden dat de vierde week de zwaarste is. Dat wist ik natuurlijk al veel langer, en daarom ben ik mentaal voorbereid deze harde week ingegaan - hoe ik de derde overleefd heb weet ik nog steeds niet, dus de vierde kon alleen maar meevallen. Dat dacht ik tenminste, want er is ondertussen zoveel voorgevallen dat ik me al serieus afgevraagd heb of ik niet de verkeerde tijd gekozen heb en dat het toch onverstandig is om spontaan met roken te stoppen, en dat terwijl al mijn medestanders, zelfs de maanden geleden gestopte collega's, alweer de sigaar zijn, enzovoorts. U begrijpt het, hier spreekt een roker in diepe crisis. Alles wat nog tussen hem en zijn sigaar in staat is de wil om niet te roken.
Het is natuurlijk onverstandig om me juist nu te verwonderen over de redenen waarom ik niet wil roken, maar toch. Ik zal u niet vervelen met excuses over zorg om de gezondheid, want ik beschouw de sigaar nog steeds als een uitnemend homeopatisch middel tegen fysieke ongemakken van velerlei aard. Dit is op zijn zachts gezegd vreemd daar ik in mijn naaste omgeving meermalen de verwoestende werking van tabak heb gezien. Is het dan soms de kracht die men voelt als men denkt de eigen zwakheden te beheersen? Voel ik de avontuurlijke sensatie van de zeebonken en cowboys uit de tabaksreclame door me rookgenot te ontzeggen?
Ja, zo moeilijk is het echt. Stoppende rokers halen zich een enorme opgave op de hals. Je verliest op den duur de wil om je te blijven verzetten tegen iets onvermoeibaars. Niet roken went wel, maar menige ex komt er na vele jaren tot grote ontsteltenis achter dat het lichaam die ene voor de gezelligheid als een lang verloren vriend begroet. Daarmee is stoppen met roken een kwestie van levenslange zelfbeheersing geworden. Roken is als Fenrir, de door de goden geketende wolf die aan het eind der tijden losbreekt om Odin te doden.
We zijn niet beter af dan zij die nog nooit gerookt hebben. Onbekendheid met de geneugten maakt het voor deze personen weliswaar makkelijker om niet te beginnen met roken, maar ze zijn geenszins onkwetsbaar. Maar als een roker moet roken om te functioneren en en een niet-roker hoeft dat niet, dan is roken een handeling die iets bewerkstelligt wat men van nature heeft. Derhalve is roken zinloos en daarom alleen maar gevaarlijk, maar noch het eerste noch het laatste weerhield mij ooit.
Hoe kom ik door deze week?
Vrijdag 27 januari 1995
Het is er dan toch van gekomen. Als er allerlei spannende dingen om je heen gebeuren dan wil je dat gezanik over roken even niet horen. De puriteinen onder u hoef ik niet meer onder ogen te komen, maar dat interesseert me minder dan dat ik nu aangeland ben op een punt waar ik al vaker ben geweest - na een maand zeurt de onderdrukt verslaving terwijl de motivatie verzwakt. Als men te vaak met roken probeert op te houden dan krijgt men scherper inzicht in wat haalbaar is en wat niet.
Ik sta nu voor een belangrijke keuze - beschouw ik dit voorval als een incident en ga ik weer over tot de orde van de dag? Daar ik toch aan het experimenteren ben ligt het antwoord voor de hand. Ik heb met vuur gespeeld en ben in de lucht gevlogen, dus klop ik de as van mijn jas en laat de dampen optrekken.
Gepubliceerd in Korte verhalen.
© 1993-2026 J.M. van der Veer
jmvdveer@algol68genie.nl