|
|
Net als in veel andere landen moeten Nederlanders die daartoe in staat zijn, bijdragen aan de verdediging van ons koninkrijk. Vroeger werden jonge mannen die voor militaire dienst waren geselecteerd opgeroepen voor een periode van militaire opleiding en actieve dienst. Dit is jaren geleden opgeschort, maar de dienstplicht zelf is dat niet. Ik werd tweeëndertig jaar geleden opgeroepen, zo'n vijf jaar voor deze opschorting. Hier wil ik enkele anekdotes delen over dit, achteraf gezien, vormende jaar voor een jonge academicus die het grootste deel van een decennium vrijwel uitsluitend op bètafaculteiten had doorgebracht. Toch verruilde ik nog voor één dag mijn uniform voor een rokkostuum, niet ter verdediging van de landsgrenzen maar van mijn proefschrift.
Ik ontving een brief van het Ministerie van Defensie waarin meegedeeld werd dat ik bij de verbindingsdienst ingelijfd zou worden. Gehoorzamend aan de instructies in dit schrijven meldde ik me op een gure midwinterochtend bij de Isabella-kazerne in Vught voor de AMO, de algemene militaire opleiding. Deze kazerne stond op het terrein van het voormalige Fort Isabella dat in het begin van de zeventiende eeuw was gebouwd. Het was een kleine basis met een bewogen geschiedenis, en toen ik aankwam was het een opleidingscentrum van de Gemechaniseerde Infanterie, hoewel onze instructeurs diverse onderdelen binnen de krijgsmacht vertegenwoordigden. Mijn promotor bleek kort na de oorlog in dezelfde kazerne zijn militaire opleiding te hebben gevolgd. Ik kon hem dan ook verzekeren, toen hij informeerde naar architectonische details zoals de achttiende-eeuwse ingang, dat die er nog steeds waren.
Die januari was geen gemakkelijke maand voor de basisopleiding, want het was bijzonder koud. Tijdens een nacht met strenge vorst in de Loonse en Drunense duinen probeerde ik wat slaap te vatten in een kleine puptent en oude slaapzak gekropen met mijn UZI als gezelschap. Wij, de nieuwe rekruten, sliepen echter comfortabeler op de met bladeren bedekte bosgrond dan onze instructeurs, die het ijskoud hadden in hun veldbedden. De kraan van de watertruck was helemaal dichtgevroren, dus marcheerden we bij wijze van uitzondering ongeschoren. Aan het einde van de basistraining kregen we te horen waar we zouden worden gestationeerd voor actieve dienst. Een aantal rekruten uit ons peloton, waaronder ikzelf, werd overgeplaatst naar Nederlands Army Post Office (NAPO) in Utrecht. Gezien de alternatieven was Utrecht een goede plek om gestationeerd te zijn, en NAPO was een prima eenheid om in te dienen.
Daar stond ik dan, als kersverse soldaat in het NAPO-peloton van de Charlie-compagnie van het 543e Verbindingsdienst-bataljon, gestationeerd op de Kromhoutkazerne in Utrecht. Charlie was groot genoeg om onder bevel te staan van een heuse majoor. Tot mijn verrassing had ik een bed in het monumentale gebouw naast het zustergebouw waar mijn vader zo'n dertig jaar eerder verbleef. Veldpost Utrecht, met militair postadres NAPO 500, 3509 VP Utrecht, was elders in de stad gevestigd in gebouwen van de Nederlandse postdienst, destijds PTT Post. De eerste weken volgden we onze FO, de functie opleiding, in het PTT-distributiecentrum bij Station Utrecht Centraal. Hier bevonden we ons te midden van PTT personeel dat niet opkeek van al die soldaten op hun terrein.
Mijn jaar in het leger vloog voorbij. Veldpost Utrecht was verantwoordelijk voor alle poststromen binnen het Nederlandse leger en verwerkte poststukken tussen binnenlandse bases, burgers en militairen in Nederland, Duitsland, Canada, voormalig Joegoslavië, Cambodja, de Sinaï, veldoefeningen … het ging allemaal door onze handen. Omdat het postsysteem nooit stilstaat, werkte Veldpost Utrecht in drie ploegen om de dienstverlening vierentwintig uur per dag te garanderen. Onze compagnie had een tekort aan sergeanten en ik werd al snel korporaal, zodat ik als waarnemend sergeant ploegleider kon zijn. Na een tijdje werd ik administrateur van het postkantoor, hoefde ik geen ploegendienst meer te draaien en kreeg ik een bureau in het kantoor van de commandant. Onze commandant zorgde goed voor zijn mannen, en door dichtbij hem te werken heb ik dingen geleerd die me altijd van pas zijn gekomen.
Zoals eerder vermeld had ik nog een academische taak te verrichten - het verdedigen van mijn proefschrift aan de Universiteit Twente. Toen ik in dienst ging, was de kopij alleen in concept klaar. Het vroeg dus het nodige aanpassingsvermogen, niet alleen van mij maar van alle betrokkenen, om alles in goede banen te leiden. Ik woonde in Enschede maar verbleef door de week in Utrecht, verstoken van facultaire voorzieningen. Bescheiden vroeg ik in Utrecht een dag bijzonder verlof aan voor de verdediging, omdat het feitelijk een examen betrof. Ik kreeg er zowaar twee toegekend, omdat de compagniestaf me gelegenheid wilde geven tot voorbereiding. Dat was maar goed ook, want ik moest op de fiets naar Hengelo om de gehuurde cravate blanche op te halen. De ceremonie viel namelijk samen met een landelijke treinstaking, en hoe ik toch op tijd in Enschede ben gekomen is een verhaal op zich. Nadat het feest was afgelopen, leverde ik het rokkostuum in en toog naar Utrecht - de treinen reden weer.
De meeste poststukken waren routine en Veldpost Utrecht hanteerde vaste schema’s voor de afhandeling van post die per vliegtuig, trein en auto binnenkwam en weer vertrok. Dringende berichten waardoor iemand naar Nederland moest terugkeren, werden echter bij de aangetekende post gevoegd en ook gefaxt naar het dichtstbijzijnde NAPO-personeel te velde voor onmiddellijke bezorging. Dit vroeg vaak om het creatief oplossen van problemen en de nodige improvisatie, waarbij alle mogelijke middelen werden ingezet om iemand in het veld te lokaliseren, zodat het bericht tijdig kon worden bezorgd. Daar waren we erg goed in, in overeenstemming met het motto van de verbindingsdienst Nuntius Transmittendus.
Dienen bij NAPO had zo zijn voordelen. Op een dag bood de luchtmacht ons de kans om Nederland vanuit de lucht te zien, als dank voor de steun van NAPO aan de luchtmacht tijdens de Golfoorlog. Op de voormalige luchtmachtbasis Soesterberg stapten we aan boord van een militair vliegtuig; de stoelen waren dus spartaans en we moesten het zonder service aan boord stellen, maar de vlucht was een geweldige ervaring. Ook had NAPO altijd een filatelistische stand wanneer de landmacht, luchtmacht of marine hun deuren openden voor het publiek. Vooral onze eerste-dag-enveloppen met herdenkingspostzegels waren populair bij filatelisten. Tijdens de Vlootdagen hebben we ons kostelijk vermaakt in Den Helder. De mess van de marinebasis was naar verluidt het beste Indonesische restaurant van het land, dus aten we zoveel wilden in plaats van zoveel we konden.
Bron: Appèl (227), september 1992. Appèl was een maandblad van de AVNM (Algemene Vereniging Nederlandse Militairen). AVNM archieven worden bewaard door IISG, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, Amsterdam.
Luchtpost moest naar een PTT-distributiecentrum op het Centraal Station in Amsterdam worden vervoerd, waardoor er regelmatig een klein veldpostkonvooi heen en weer reed tussen Utrecht en onze hoofdstad. Soms begeleidde ik die colonne, en op een dag terwijl we over de snelweg reden zagen we een enorme rookwolk aan de horizon. Het bleek om een ontploffing te gaan in een chemische fabriek in Uithoorn, een dorp dat ik op de kaart moest opzoeken toen we teruggekeerd waren in Utrecht. Hoe had ik kunnen vermoeden dat ik me daar na mijn diensttijd zou vestigen?
Mijn hoogtepunt was het toezicht houden op de postbezorging in het veld tijdens Clover Charge, een grootschalige veldoefening in Duitsland van de Nederlandse 4e Divisie en de Duitse Bundeswehr, waarbij tanks, artillerie en duizenden militairen betrokken waren. Deze gezamenlijke oefeningen bleken een opmaat te zijn voor de oprichting van 1 Duits-Nederlands Korps en uiteindelijk de integratie van beide legers in de afgelopen jaren. Clover Charge stond gepland voor december, dus ik was in de winter weer in het veld.
In die tijd werden de "postbodes" tijdens veldoefeningen gedetacheerd bij een aanvullingsplaats-compagnie. Mijn mannen en ik richtten een veldpostkantoor in bij een van de bevoorradingspunten, in een rondboogtent die comfortabel warm en droog werd gehouden door dieselkachels – dit in tegenstelling tot de Loonse en Drunense duinen tijdens de basistraining. Het commando van het bevoorradingspunt besloot dat onze tent de veiligste plek was voor het machinegeweer van de compagnie, aangezien die tent altijd bewaakt werd. Ik bewaarde het vervaarlijke wapen veilig onder mijn veldbed, waarop ik rustig sliep na tot diep in de nacht doorgewerkt te hebben om alle post gesorteerd te krijgen, wetende dat mijn postkantoor tot de tanden bewapend was met UZI's en een MAG.
Elke avond schoof een lange colonne vrachtwagens traag langs het bevoorradingspunt om voor elke eenheid voedsel, brandstof en bij de laatste halte de post op te halen. We slaagden erin alles te distribueren, ondanks dat eenheden zich 's nachts verplaatsten of samengevoegd werden met andere. Een uitzondering vormde de post voor een onvindbare verkenningseenheid die we mee terug moesten nemen naar Utrecht om dan maar bij de kazerne van deze eenheid af te leveren. Deze vertraagde bezorging bleek geen schande, aangezien het commando's betrof die onopgemerkt achter de vijandelijke linies opereerden. Als ik ze in het veld had kunnen opsporen om ze hun post te overhandigen, zou ik zelf een groene baret hebben verdiend.
Deze periode in Duitsland was een unieke ervaring die me heeft laten zien hoe belangrijk post is voor het moreel van de troepen. Internet werd pas het jaar daarop uitgevonden, mobiele telefoons waren er nog niet en als je ergens al een telefoon kon vinden die je mocht gebruiken, moest je daarvoor in de rij staan. In het veld is post eigenlijk het enige contact met je dierbaren. Warme maaltijden, af en toe een douche en een brief van thuis, dat alles maakt ingegraven zijn in de winter draaglijk.
Mijn korte actieve militaire loopbaan kwam kort voor Kerstmis ten einde. Onze lichting hield een gezellig afscheidsdiner in Utrecht en werd met Groot Verlof gestuurd, wat inhield dat we reservist zouden blijven voor het geval zich een noodsituatie zou voordoen. Ik nam de trein naar huis en vroeg me af wat de toekomst zou brengen. Jaren later kwam ik er toevallig achter wat er van sommige jongens met wie ik had gediend, was geworden. Eén was dierenarts en begon een kliniek, een ander ging naar het seminarie en werd tot priester gewijd … en ik begon een carrière in de chemische industrie in het bovengenoemde dorp.
De wereld draait natuurlijk door, en er is de afgelopen dertig jaar veel gebeurd. Het 543e werd ontbonden in dezelfde maand dat ik het leger verliet, en NAPO werd overgeheveld naar het 544e. De opkomstplicht werd enkele jaren later opgeschort. Toen ik jaren later de Kromhout nog eens bezocht kwam ik daar voor een instituut van de Universiteit Utrecht, dat een groot deel van de kazerne had overgenomen. Het PTT-gebouw waar ik werkte is gesloopt, hoewel het restaurant waar we ons afscheidsdiner hadden er nog steeds is.
Een paar jaar geleden reed ik eens langs Vught noordwaarts en verliet de snelweg om een wandeling te maken over het terrein van de voormalige Isabella-kazerne. Het leger verliet de kazerne kort na mijn basisopleiding en tegenwoordig heeft de basis een woonbestemming. De meeste gebouwen, waarvan sommige als monument zijn aangewezen, zijn echter bewaard gebleven, waaronder de bovengenoemde ingang. Na een tijdje rondgelopen te hebben, stapte deze oude stomp in zijn auto en ging huiswaarts. Afgezien van veel herinneringen en opgedane ervaringen, resten mij van mijn jaar in het leger nog wat parafernalia, enkele foto’s en een assortiment filatelistische verzamelobjecten.