|
|
Ik ben zo iemand die, ver van de stad, ’s nachts naar de fonkelende sterren aan de hemel kan zitten staren. Zodra je ogen gewend raken aan de duisternis, zie je langzaam de Melkweg verschijnen. Het is een fenomeen dat de mensheid altijd heeft gefascineerd.
Schijnbaar dachten oermensen dat al die lichtjes kampvuren waren van verafgelegen stammen. Later werden sterren verklaard als gaatjes in een enorme bolschil, het firmament of de hemel, die de in het centrum gelegen Aarde zou afschermen van een eeuwig licht daarbuiten. Dat idee van gaten in een bolschil is best begrijpelijk, want sterren lijken niet ten opzichte van elkaar te bewegen, en zonder telescoop lijkt het net alsof er geen diepte is in de sterrenhemel.
Het is een beeld dat bleef bestaan tot William Herschel laat in de achttiende eeuw na eindeloos turen door een grote telescoop als eerste met een voorstel kwam voor de ruimtelijke posities van veel sterren. Wat bleek? Ze lagen niet op een bol, maar zweefden er juist in! Het besef drong door dat álle sterren deel waren van eenzelfde stelsel, de Melkweg. Zelfs een jonge Albert Einstein, zo’n ruime honderd jaar terug, dacht nog dat de Melkweg het hele universum was.
Afstanden tussen sterren zijn onvoorstelbaar groot. Om een voorbeeld te geven, onze Zon is een doorsnee ster. De directe buren van de Zon zijn Alpha Centauri A en B, twee sterren ongeveer net zo groot als de Zon, en hun kleine broertje Proxima Centauri. Als de Zon een voetbal zou zijn in Amsterdam, dan is de Aarde een zandkorrel op zo’n 25 meter afstand van die voetbal, en zouden Alpha Centauri twee ballen zijn ergens in … Detroit, meer dan een oceaan verderop. De Melkweg is dus niet alleen onvoorstelbaar groot, het is er ook ongelofelijk leeg.
Het was Edwin Hubble die zo’n honderd jaar geleden ontdekte dat een aantal 'vage nevels' in de Melkweg, in werkelijkheid andere Melkwegstelsels zijn, ver buiten het onze. Het universum bleek bomvol sterrenstelsels te zitten. De laatste schattingen zijn dat er maar liefst twee biljoen Melkwegstelsels kunnen zijn. Onze Melkweg, een typisch stelsel, heeft naar schatting honderd tot vierhonderd miljard sterren. Ofwel, voor iedere zandkorrel op Aarde stralen er wellicht tienduizenden sterren daarboven. Laat dat idee eerst even rustig bezinken.
Nu vraag je je natuurlijk af waarom, als er dan zoveel sterren zijn, het 's nachts überhaupt nog donker is? Het uitspansel zou dan toch helemaal moeten oplichten? Dat komt zo. Hubble ontdekte ook dat het Heelal met gezwinde spoed oprekt en hoe verder iets weg is van ons, des te sneller dat van ons af beweegt. De lichtsnelheid is daarentegen overal constant, zo vond Einstein. Daardoor kan licht van zeer verafgelegen sterrenstelsels ons niet meer bereiken, omdat dit verre licht als het ware tegen een te sterke stroming moet opzwemmen om nog bij ons terecht te komen. Het verafgelegen deel van de kosmos is daarom voor altijd onzichtbaar, en de achtergrond voor de zichtbare sterren blijft duister als de nacht.
Gepubliceerd in Wetenschap. Meer over Natuurkunde of Sterrenkunde.
© 1993-2026 J.M. van der Veer
jmvdveer@algol68genie.nl